Onderzoek naar de vergoeding voor juridische tweedelijnsbijstand

12 december, 2012 - 16:54 -- Inge

PERSBERICHT

Rapport

Onderzoek naar de vergoeding voor juridische tweedelijnsbijstand

NICC – ULg

Onderzoekers: L. Nisen, K. Adelaire, J-F. Reynaert

Promotoren:F. Schoenaers (ULg), C. Mincke (NICC)

De werking van de juridische tweedelijnsbijstand lokt ontevredenheid uit bij zowel de overheid als de advocatuur. De overheid ziet het hiervoor uitgetrokken budget sinds een tiental jaren voortdurend toenemen, en dit ondanks het bestaan van een systeem van ‘gesloten enveloppe’. De advocatuur hekelt dan weer de onzekerheid die het huidige systeem met zich meebrengt met betrekking tot hun inkomsten, gelet op de variatie in de bedragen die aan de gefactureerde punten worden toebedeeld.[1]De spanning rond dit dossier is overigens nog toegenomen na de invoering van de ‘Salduz-wet’ (1 januari 2012). Deze wet die toelaat dat iedereen bij het eerste verhoor door de politie of door een onderzoeksrechter wordt bijgestaan door een advocaat, verhoogt des te meer de toevlucht tot juridische bijstand. Vandaar ook dat de problematiek van het huidige vergoedingssysteem een grondig onderzoek vereist.

Een eerste stap in deze richting kon worden gezet nadat het kabinet van de minister van Justitie het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) de opdracht gaf tot een wetenschappelijk onderzoek over dit thema. Voor de gelegenheid werd door het NICC daarbij ook de expertise ingeroepen van het Centre de Recherche et d’Interventions Sociologiques van de Université de Liège. Het doel van deze korte onderzoeksopdracht (4 maanden) was er vooral op gericht een cijfermatige stand van zaken op te maken met betrekking tot de juridische tweedelijnsbijstand. Het kwam er op aan om, in antwoord op een reeks controverses, de bestaande toestand te objectiveren.

Uit het onderzoek blijkt dat het aantal jaarlijks door advocaten aangegeven punten sinds het gerechtelijk jaar 1998-99 met 224,27% is toegenomen, wat gemiddeld overeenkomt met een stijging met 169.872,96 punten per gerechtelijk jaar. In dezelfde periode steeg het totaal aantal afgesloten dossiers met 229,26% (134.597 bijkomende afgesloten dossiers). Deze cijfers tonen aan dat zowel het aantal punten als het aantal afgesloten dossiers een gelijkaardige groeicurve vertonen, en dat het beroep op de juridische tweedelijnsbijstand aanzienlijk is toegenomen. Er moet worden opgemerkt dat deze vaststelling geldt zowel aan de kant van de Orde van Vlaamse balies (OVB) als bij de Ordre des barreaux francophones et germanophones (OBFG).

Een ander belangrijk gegeven betreft het gemiddeld aantal punten per dossier. Dit aantal evolueerde tussen 2001-2002 en 2010-2011 van gemiddeld 16,5 punten per dossier tot 15,5 punten. Dat betekent dat een gelijk dossier vandaag minder punten oplevert dan dat dit 10 jaar geleden het geval was. Deze lichte daling in het gemiddeld aantal punten per dossier wordt verklaard door de ontwikkeling van kwaliteitsgericht beleid en vrij strikte controles op het niveau van de ordes en de balies.

In elk geval wijst niets op een overdreven verbruik van punten per dossier en dus een problematische praktijk bij de balies. Integendeel, deze cijfers laten toe te bevestigen dat, indien het budget voor de juridische tweedelijnsbijstand toeneemt, dit in hoofdzaak eenvoudigweg toe te schrijven valt aan een toenemend aantal dossiers. Of anders verwoord, de rechtszoekenden op Belgisch grondgebied doen verhoudingsgewijs meer beroep op de juridische bijstand dan voorheen.

De aanzienlijk toegenomen toevlucht tot de juridische tweedelijnsbijstand kan niet worden verklaard door een evenredige stijging van het aantal personen dat er van zou kunnen genieten. De groep van mogelijke gebruikers neemt weliswaar licht toe, maar deze groei staat helemaal niet in verhouding tot de toename van het gebruik van de juridische bijstand. De in aantal relatief stabiel blijvende groep van mensen die in aanmerking komt voor de juridische tweedelijnsbijstand, doet dus meer beroep op dit systeem, zonder dat er gewag kan worden gemaakt van overconsumptie of een inhaalbeweging naar aanleiding van de ontwikkeling van een daadwerkelijke toegang tot justitie (wat één van de doelstellingen van de juridische tweedelijnsbijstand is).

De onderzoekers stellen dan ook geen enkel misbruik vast. Verder onderzoek zal echter nodig zijn om meer inzicht te verkrijgen in de drijvende kracht achter de vastgestelde toename.

Het onderzoek richtte zich eveneens op een vergelijking van de Belgische situatie met deze in de buurlanden Nederland en Frankrijk. Hieruit blijkt dat België, zelfs na tien jaar van aanzienlijke groei, per inwoner een vergelijkbaar budget aan juridische tweedelijnsbijstand besteedt dan Frankrijk (2011: B: 6,14 €/jaar/inwoner; F: 4,8), een bedrag dat trouwens in niets te vergelijken valt met datgene dat hiervoor in Nederland wordt geïnvesteerd (27,78 €/jaar/inwoner).

Het onderzoeksrapport sluit af met een aantal pistes tot oplossing voor de beheersing van het fenomeen van de stijgende kost. Dat neemt niet weg dat een aantal essentiële vragen open blijven, zoals de vraag naar de effecten op het terrein van het actueel gevoerde beleid. Dergelijke vragen konden niet worden behandeld binnen het korte tijdsbestek van het onderzoek. Wat is de concrete praktijk van de advocaten die juridische tweedelijnsbijstand verlenen, welk effect zal de ‘Salduz-wet’ teweeg brengen in de komende jaren, in welke mate wordt tegemoet gekomen aan de behoeften aan juridische bijstand van minderbedeelde groepen, welke systemen van kostenbeheersing kunnen worden opgezet zonder daarbij de toegang tot justitie te beperken voor de economisch zwakkeren? Deze enkele vragen tonen de complexiteit aan van een thematiek die niet gereguleerd kan worden door middel van enkele eenvoudige maatregelen.

 

Contact:

FrédéricSchoenaers (ULg): f.schoenaers@ulg.ac.be, 0476/57 03 34

Christophe Mincke (NICC): christophe.mincke@just.fgov.be, 0473/210.265

 


[1]Advocaten worden betaald aan de hand van een puntensysteem. Een tarieflijst bepaalt hoeveel punten elk type van tussenkomst oplevert, afhankelijk van een inschatting van de gemiddelde werklast die dit met zich meebrengt. Eenmaal per jaar worden deze punten samengeteld, en een gesloten enveloppe (ook al ligt deze niet voorgoed vast) wordt verdeeld over de advocaten naar verhouding van de punten die elk van hen heeft vergaard.